titel  Vlaamse school: superflop voor allochtone leerlingen?   


Het Vlaamse onderwijssysteem slaagt er wel in om autochtone leerlingen gemiddeld naar de eerste plaats in de wereld voor wiskunde te brengen, maar slaagt daar niet in voor de amper zeven procent allochtone leerlingen. Bijna vier op tien allochtone leerlingen verwerft de basisvaardigheden voor wiskunde niet. Van de autochtone leerlingen is dat minder dan één op tien.

Kloof
Vlaanderen heeft weinig leerlingen met een allochtone achtergrond: dat wil zeggen leerlingen van de eerste en tweede generatie samen. Ze vertegenwoordigen maar zeven procent van het totaal aantal leerlingen in de Pisa-steekproef. Dat is vergelijkbaar met het aantal allochtone leerlingen in Denemarken en Noorwegen. In de buurlanden ligt het aantal allochtone leerlingen veel hoger.

In de meeste Oeso-landen is er een verschil tussen de schoolprestaties van autochtone en allochtone leerlingen. Maar het grootste verschil wereldwijd vind je terug in Vlaanderen. Het Pisa-onderzoek werkt met zes competentieniveaus voor wiskunde. In slechts drie Oeso-landen is het verschil in wiskundeprestaties tussen autochtone en allochtone leerlingen groter dan één competentieniveau, namelijk in België, Denemarken en Duitsland. Allochtone leerlingen hebben dus veel achterstand. In Vlaanderen is die achterstand nog groter: daar noteren de onderzoekers een verschil van ongeveer twee competentieniveaus. Een Vlaamse autochtone leerling scoort gemiddeld op competentieniveau vier, een Vlaamse allochtone leerling scoort gemiddeld op competentieniveau twee.

Opmerkelijk aan de Vlaamse cijfers is ook dat de eerstegeneratieleerlingen beter presteren voor wiskunde dan de tweedegeneratieleerlingen. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de Nederlandse leerlingen die in de steekproef zitten en die door de Pisa-definitie van 'allochtoon' als eerstegeneratieleerlingen beschouwd worden.
 

Aan het staartje
Het Vlaamse onderwijssysteem slaagt erin om de vele autochtone leerlingen gemiddeld naar de eerste plaats in de wereld voor wiskunde te brengen, maar slaagt er niet in om de weinige tweedegeneratieleerlingen (vier procent) verder te brengen dan de voorlaatste plaats voor wiskunde. Toch gaat het om leerlingen die hun volledige schoolcarrière in Vlaamse scholen hebben doorgebracht en – in internationaal perspectief – niet zo talrijk zijn.

Competentieniveau twee van wiskundige geletterdheid is zowat een basisniveau dat leerlingen bereikt moeten hebben om wiskunde actief te kunnen gebruiken. Leerlingen die dit niveau niet bereiken, zijn risicoleerlingen die wiskunde in alledaagse situaties niet kunnen toepassen. In Vlaanderen beschikt 7,3 procent van de autochtone leerlingen niet over die basisvaardigheden voor wiskunde. Van de tweedegeneratieleerlingen is dat maar liefst 42,3 procent. Maar ook bij de topleerlingen is de kloof groot: meer dan één op drie autochtone leerlingen bevindt zich op één van de twee hoogste niveaus voor wiskunde tegenover nog niet één op de tien allochtone leerlingen in Vlaanderen.
 

Leerhonger
De thuistaal heeft wel degelijk een invloed op de wiskundeprestaties van leerlingen. Maar thuistaal verklaart niet alles: zelfs als allochtone leerlingen thuis Nederlands spreken, dan scoren ze voor wiskunde nog altijd beduidend minder goed dan autochtone leerlingen die thuis Nederlands spreken. Zelfs als ook de socio-economische achtergrond van de leerlingen in rekening wordt gebracht, blijft de kloof bestaan.

Ligt het aan de motivatie van allochtone leerlingen? Nee. Allochtone leerlingen hebben meer interesse voor wiskunde en zijn er meer voor gemotiveerd dan autochtone. Ook hun houding ten opzichte van de school is positiever. Toch verwacht maar net iets meer dan de helft van de vijftienjarige allochtone leerlingen in Vlaanderen (tegenover hun autochtone leeftijdgenoten) dat ze naar de universiteit zullen gaan. Dat is het laagste percentage van de landen die in het rapport onderzocht werden.

Een en ander blijkt uit het onderzoek 'Where immigrant students succeed – a comparative review of performance and engagement in Pisa 2003'. Pisa is een driejaarlijks onderzoek van de Oeso dat de kennis en vaardigheden van vijftienjarigen test. Telkens worden de drie dezelfde domeinen onderzocht: leesvaardigheid, wiskundige geletterdheid en wetenschappelijke geletterdheid. In het juninummer van Klasse zoekt Oeso-topman Andreas Sleicher naar verklaringen voor de lage prestaties van Vlaamse allochtone jongeren.
 


Publicatiedatum: 2006-05-17