|
Voortstuderen is de beste
garantie voor een ruime jobkeuze. Maar in bijna ieder studieniveau - zeker
in de derde graad BSO en TSO - zijn kansrijke studierichtingen te vinden.
Persoonlijkheidskenmerken en elders verworven competenties winnen steeds
meer aan belang.
Een studiekeuze kan
bepalend zijn voor de toekomst. Goed kiezen is dus belangrijk, maar minstens
even belangrijk is de motivatie om te kiezen voor een opleiding. Dat
concludeert de VDAB uit een onderzoek naar de aansluiting tussen onderwijs
en arbeidsmarkt. Tussen juni 2003 en 2004 volgde de VDAB 75 581
schoolverlaters en telde hoeveel van hen na een jaar nog geen job hadden.
SCHOOLVERLATERS
Algemeen
- 72 % van alle schoolverlaters schrijft zich in als
werkzoekende bij de VDAB.
- 15,5 % van alle
schoolverlaters is na een jaar nog op zoek naar een job. Het jaar daarvoor
was dat 14,6 % en nog eens een jaar eerder 10,7 %. Daarvan is 26,7 %
laaggeschoold, 41,5 % middengeschoold en 31,8 % hooggeschoold.
- 7,6 % heeft in de
loop van dat jaar geen werkervaring opgedaan. Iets meer dan twee op drie
schoolverlaters zonder enig getuigschrift of diploma zijn mannen. Vaak
lopen jongens al in het begin van het secundair onderwijs een
onoverbrugbare achterstand op.
Hoe presteren schoolverlaters per studieniveau, -gebied of –richting?
- Schoolverlaters met maximum getuigschrift secundair
onderwijs eerste graad (Max.SO1):
Aantal: 1 721.
Het aantal schoolverlaters in dit niveau daalt lichtjes. Deze groep
bestaat hoofdzakelijk uit ‘hoppers’ die om de haverklap overstappen van de
ene opleiding naar de andere.
- Middenstandsopleidingen (MO):
Aantal:
1931. De middenstandsopleiding haalt het beste resultaat met minder dan
één werkloze schoolverlater op tien na één jaar, maar er is veel uitval
naar het DBSO tijdens de opleiding. Wie tot het einde volhoudt, heeft heel
goede perspectieven op een job.
- Deeltijds
beroepssecundair onderwijs (DBSO):
Aantal: 2
435. Geen enkel studiegebied van het DBSO scoort goed. Veel leerlingen
komen in het DBSO terecht als gevolg van het watervalsysteem.
Schoolverlaters uit het DBSO hebben vaak niet de juiste werkhouding. Ruim
één op drie heeft na één jaar nog geen job. Daarmee scoort het DBSO zowat
even slecht als de schoolverlaters na de tweede graad BSO. Het gebrek aan
voldoende en volwaardige stageplaatsen is een ernstige rem op de jobkansen.
- Algemeen
secundair tweede graad (ASO2):
Aantal: 357.
Het aantal schoolverlaters in dit niveau neemt sterk af. Ongeveer zes op
tien volgden een eerste jaar van de derde graad, maar haakten af. Dankzij
hun basisvorming vinden ze dikwijls een - weliswaar laagbetaalde - job in
grote distributieketens.
- Beroepssecundair
onderwijs tweede graad (BSO2):
Aantal: 3
584. In dit studieniveau zijn bijna vier op tien schoolverlaters na één
jaar nog werkloos. In de studiegebieden Textiel en Kleding zijn er dat
bijna vijf op tien. Vacatures voor een aantal studiegebieden, zoals
Personenzorg worden vaak ingevuld door schoolverlaters die dezelfde
studiegebieden volgden in de derde graad BSO of in het TSO. Merk wel op
dat in deze cijfers ook de schoolverlaters in het BuSO opgenomen zijn.
- Technisch secundair onderwijs tweede graad (TSO2):
Aantal: 1 155. Voor
schoolverlaters in dit studieniveau is de aansluiting op de arbeidsmarkt
een stuk beter dan bij het studieniveau BSO2. Wel doen populaire
studiegebieden met veel schoolverlaters zoals Mechanica-Elektriciteit en
Handel het minder goed. Grafische technieken biedt de minste perspectieven
op werk.
- Kunstsecundair
onderwijs tweede graad (KSO2):
Aantal: 126. Het aantal
schoolverlaters hier is te klein voor conclusies. Opvallend is wel dat
meer dan dubbel zoveel jongens dan meisjes na één jaar nog geen
werkervaring opdeed.
- Algemeen
secundair onderwijs derde graad (ASO3):
Aantal: 4
743. Opmerkelijk hier is het grote aantal schoolverlaters uit “sterke
richtingen” zoals Economie-Wiskunde.
- Beroepssecundair
onderwijs derde en vierde graad (BSO3 & BSO4):
Aantal: 15 275. In dit
studieniveau zijn de resultaten beter dan vorig jaar, onder meer door de
opleidingen tot verpleegkundige in het BSO4. In een aantal opleidingen
zoals bijvoorbeeld Koeling en warmte en Personenzorg zoekt minder dan één
op tien nog naar werk na één jaar. Andere zoals Handel, Kleding en
Decoratieve en Grafische technieken, doen het niet goed op de
arbeidsmarkt. Een goede keuze is hier erg belangrijk.
- Technisch
secundair onderwijs derde graad (TSO3):
Aantal: 12
139. In het TSO3 doen tal van studiegebieden het met minder dan 10 %
werkzoekenden na één jaar erg goed. Auto en Hout doen het schitterend.
Informatica, Industriële informatica en Multimediatechnieken doen het niet
zo goed en net zoals in TSO2 scoort Decoratieve technieken met drie op
tien werkzoekenden het slechtst. Bij de jongens zijn Elektromechanica en
Elektrotechnieken het populairst en die doen het ook goed op de
arbeidsmarkt. Bij de meisjes spreekt Sociale en technische wetenschappen
het meest aan.
- Kunstsecundair
onderwijs derde graad (KSO3):
Aantal: 622. In TSO3 halen
slechts een paar dunbevolkte richtingen zoals bijvoorbeeld muziek een goed
resultaat. Schoolverlaters uit KSO3 zijn weinig flexibel. Zij blijven
liever langer werkloos dan te kiezen voor een job waarin ze hun
creativiteit niet kwijt kunnen.
- Hoger onderwijs
van 1 cyclus (HO1C):
Aantal: 16 357. Er studeren meer
meisjes dan jongens in het hoger onderwijs van één cyclus en ze presteren
ook een stuk beter. Vooral in Onderwijs, Gezondheidszorg en
Sociaal-agogisch werk zijn ze dominant aanwezig. Jongens kiezen meer voor
Industriële wetenschappen en Technologie en doen het daar meestal goed.
Handelswetenschappen en Bedrijfskunde doen het minder goed dan vorig jaar
en de artistieke opleidingen scoren het slechtst.
- Hoger onderwijs
van 2 cycli (HO2C):
Aantal: 4 374. Met gemiddeld 16,3
% scoort het hoger onderwijs van twee cycli beduidend slechter dan dat van
één cyclus (10,3 %). Ook hier gaat de richting Handelswetenschappen en
Bedrijfskunde met veel schoolverlaters erop achteruit. Weer doen de
artistieke opleidingen het slecht, met uitzondering van Productdesign.
Gezondheidszorg houdt met 9,6 % stand.
- Universitair onderwijs (UNIV):
Aantal: 10 762. Ook het universitair
onderwijs ontsnapt niet aan een stijging van het aantal afgestudeerde
werklozen. Alle opleidingen in de Gezondheidszorg doen het voortreffelijk.
Diergeneeskunde gaat fors achteruit. Economische en Toegepaste economische
wetenschappen houden globaal goed stand. Richtingen die het slecht blijven
doen op de arbeidsmarkt zijn: Archeologie en Kunstwetenschappen,
Geschiedenis, Politieke en sociale wetenschappen en Wijsbegeerte en
moraalwetenschappen.
BELEIDSCONCLUSIES
«De brug tussen onderwijs en arbeidsmarkt
spoort met de ambitie van het departement Onderwijs», zegt onderwijsminister
Vandenbroucke. «Maar we moeten het onderwijs niet afstemmen op de
arbeidsmarkt. Het onderwijs is veel ruimer en die arbeidsmarkt beweegt
daarvoor te snel. We moeten wel werk maken van meer en betere bruggen tussen
beide. We moeten ons de vraag stellen hoe onderwijs een goede pijler voor
die brug kan zijn.» Naar aanleiding van het arbeidsmarktrapport herhaalt en
verduidelijkt de minister een aantal accenten uit zijn beleidsnota:
- studiekeuze
Het is fundamenteel dat kinderen en jongeren hun talenten leren
kennen. Dat leidt tot een juiste studiekeuze en een grotere motivatie.
- studierichtingen
We moeten ons zeker de vraag stellen of bepaalde studierichtingen nog
relevant of niet te versnipperd zijn.
- bachelors
De toekomstige bachelors (HO1C) scoren heel goed op de arbeidsmarkt.
Dat is positief in het licht van de Bologna-hervorming. Professionele
bachelors kunnen kiezen voor de arbeidsmarkt, maar ze kunnen ook
doorstromen naar de master-opleiding.
- TSO en BSO
We moeten meer investeren in onderwijs, zeker in BSO en TSO. Daar
moeten vooral middelen gaan naar bijvoorbeeld uitrusting.
- afspraken
Een betere samenwerking tussen onderwijs en arbeidsmarkt vereist goede
afspraken vanuit wederzijds respect. We moeten ook werk maken van een
procedure om sneller tot afspraken te komen. Denk maar aan de verdere
uitbouw van Regionale Technologische Centra (RTC’s), meer en betere
stageplaatsen voor het DBSO, waar de resultaten verontrustend zijn.
- werkloze jongeren
Als werkloze jongeren volop kansen willen krijgen is een sluitende
aanpak nodig. Dat betekent nauwgezette opvolging en controle. Het systeem
van een instapopleiding moet de vraag vanuit de arbeidsmarkt vergroten.
Dit houdt in dat de werkgever alleen het verschil tussen de
werkloosheidsuitkering en het loon betaalt.
- werken-leren
Opleidingen die werken en leren combineren moeten gevaloriseerd worden
met attesten of certificaten. Er moeten ook extra middelen naar
knelpuntberoepen gaan.
- levenslang leren
We moeten diplomafetisjisme vermijden. De tijd dat alles in het leven
bepaald wordt door het behaalde diploma is voorbij.
- ongekwalificeerde uitstroom
Deze term is een fout en onrechtvaardig label. Wie geen diploma haalt,
kan bijvoorbeeld door werkervaringen toch geschoold zijn. Daarom zijn
certificaten belangrijk en moeten ze voor vol aanzien worden. Dat geldt
ook voor het DBSO dat dringend aan een positieve opwaardering toe is.
- problematische leerlingen
Schoolmoe zijn, spijbelen, druggebruik, kleine criminaliteit… bij
leerlingen zijn het domein van Welzijn. In die zin moeten Welzijn en
Onderwijs ook meer en beter samenwerken en mekaar versterken.
Download het rapport 'Werkzoekende
schoolverlaters in Vlaanderen' (juni 2003-2004):
http://vdab.be/trends/schoolverlaters/schoolvl2005.pdf
Publicatiedatum: 2005-03-16
|