|
Bij sommige
leerlingen lijken alle inspanningen van school, leraren en CLB niets uit te
halen. De situatie escaleert, met als gevolg een breuk tussen school en
leerling. Een time-outproject probeert dat te voorkomen. De leerling wordt
tijdelijk uit school genomen om zowel school als leerling een adempauze te
gunnen. Ondertussen werkt een welzijnsorganisatie met beide partijen aan reïntegratie.
Van maart 2001 tot maart 2003 liep in
Vlaanderen een 'time-outexperiment met schoolvervangende programma's', met
de steun van de Koning Boudewijnstichting. Een time-outproject probeert te
voorkomen dat leerlingen de school definitief verlaten voor ze zijn
afgestudeerd. Dat gebeurt op twee manieren. Enerzijds door de
'probleemleerling' tijdelijk uit de school te nemen, een time-outprogramma
te laten doorlopen en te helpen reïntegreren in de school. Anderzijds door
met de school aan een preventiebeleid te werken waardoor op termijn minder
leerlingen met schooluitval bedreigd worden.
Maatschappelijk kwetsbaar
Een time-outproject vertrekt vanuit de theorie van
maatschappelijke kwetsbaarheid. Kort samengevat komt die hierop neer:
Kinderen en jongeren ontwikkelen bindingen met de samenleving die als een
rem werken op probleemgedrag. De school speelt in deze bindingen een
belangrijke rol. Als een kind zich aanvaard voelt door een leraar, gaat het
zich aan hem hechten. Daarom zet het zich in en gedraagt het zich conform de
regels. Leerlingen uit maatschappelijk kwetsbare gezinnen ervaren deze
aanvaardende houding niet. Hun cultuur staat verder af van de eisen die de
school stelt qua taalontwikkeling, beleefdheid, schrijf- en leescultuur …
Doordat er geen positieve relatie tussen leraar en leerling tot stand komt,
zetten deze leerlingen zich niet in. Ze hebben ook geen reden om zich aan
het schoolreglement te houden. Op die manier ontstaat probleemgedrag.
Als leerlingenbegeleiding niets uithaalt, kan de leerling van school
gestuurd worden. Maar dan vermindert de toch al geringe binding bij deze
leerlingen nog meer, waardoor het risico op ernstig probleemgedrag en
sociale uitsluiting toeneemt. Een experiment met vier time-outprojecten
probeert hierop een antwoord te bieden:
-
On@Break
(De Werf vzw uit Gent)
-
Therapeutisch
pilootproject Odysseus (Samenwerkingsverband Welzijns- en
Onderwijsvoorzieningen uit Brugge)
-
Schoolfloppersproject
(Ter Wende uit Leuven)
-
Koïnoor
(Jongerencentrum Cidar vzw uit Kortenberg)
Zo'n project loopt op het moment dat de school zich nog
wil engageren tegenover de jongere, maar waarbij een onderbreking
noodzakelijk is. Tijdens deze onderbreking vangt de welzijnssector de
jongere buiten de school op. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers is
15-16 jaar. Het gaat vooral om jongens. De reden voor een time-out is vooral
normovertredend gedrag en spijbelen. Andere redenen zijn schoolmoeheid,
delinquent gedrag (diefstal, druggebruik, dealen …) of gebruik van fysiek
geweld.
Verloop van een schoolvervangend project
De projecten verschillen onderling maar gebruiken
dezelfde methode, die steunt op drie pijlers: een gevarieerd programma,
werken in fasen en samenwerken met verschillende partners.
Een gevarieerd programma
Het programma wil de motivatie en eigen interesses van de jongeren
aanwakkeren, hun zelfbeeld verbeteren, relationele en sociale vaardigheden
aanleren en kennisinhouden bijbrengen. Groepswerk, individuele begeleiding,
succesbeleving … staan centraal. Er worden ateliers aangeboden, zoals
fotografie, houtbewerking, koken … of raamactiviteiten zoals bijvoorbeeld
de redactie van een tijdschrift. Het is een instrument om jongeren
basisvaardigheden bij te brengen zoals samenwerken, budgetbeheer, taalkennis
én om verbanden te leggen met schoolvakken. Binnen deze activiteiten is er
ook ruimte voor algemene vorming. Er wordt één keer per week een
sportactiviteit georganiseerd. Het geeft de jongeren de kans om nieuwe
mogelijkheden te ontdekken voor een zinvolle vrijetijdsbesteding.
Binnen een time-outprogramma gaat veel aandacht naar individuele
begeleiding. Tijdens individuele gesprekken analyseren begeleider en jongere
samen de huidige situatie, zoeken ze naar oplossingen en bepalen ze werk- en
aandachtspunten.
Verloop in fasen
De aanmelding gebeurt door het CLB, de school of hulpverleners
maar ook door de ouders of de jongere zelf. Op basis van vooraf bepaalde
selectiecriteria wordt de jongere al of niet uitgenodigd voor een intakegesprek.
Voorwaarden zijn onder andere een minimale kennis van het Nederlands, de
bereidheid van school en CLB om actief mee te werken en nadien de jongere
weer op te nemen, de samenstelling van de time-outgroep. Op het
intakegesprek zijn alle partijen aanwezig. De time-outperiode
verschilt van project tot project, met een minimum van twee en een maximum
van acht weken. Eerst is er een kennis- en ontladingsfase waarin de jongere
de andere deelnemers, de begeleiders en de activiteiten leert kennen en
waarin onderlinge verwachtingen en werkpunten worden geformuleerd. Tijdens
de begeleidingsfase wordt intensief gewerkt aan de aandachts- en leerpunten
om de terugkeer naar het onderwijs mogelijk te maken. Tijdens de oriëntatiefase
wordt het project afgerond en de terugkeer naar school voorbereid. De opvolging
na de time-outperiode varieert van het aanbieden van een vangnet tot
opvolgingsgesprekken voeren en loopt van vier weken tot een jaar.
Partners
De school en het CLB vormen de draaischijf van het
time-outproject. Ze melden de jongere aan en engageren zich om hem
te reïntegreren in de school. Ook tijdens de time-outperiode zelf
kunnen ze als trajectbegeleider bevraagd worden over leerstofbegeleiding, de
aanpak van de jongere enz. De ouders moeten ermee akkoord gaan dat
hun zoon of dochter deelneemt aan het time-outproject. Ze worden beschouwd
als actieve partners, die mee op zoek gaan naar oplossingen. Soms worden hulpverleners
betrokken in het project. Wanneer ze al vertrouwd zijn met de jongere en het
gezin, beschikken ze vaak over relevante informatie.
Vertrouwensrelatie
Als de school en de welzijnsorganisatie intensief en
systematisch willen werken aan het voorkomen van schooldropouts, moeten ze
een vertrouwensrelatie opbouwen. Het time out-project Antwerpen heeft een
werkmodel ontwikkeld met als aandachtspunten:
-
maatwerk:
elke school heeft een eigen schoolcultuur en een specifieke manier van
werken. Werk binnen deze grenzen een traject uit dat voor de betrokken
jongere het meest geschikt is.
-
contacten
en betrokkenheid op alle niveaus: er vinden verschillende contacten
plaats waarbij alle betrokkenen aanwezig zijn - school, CLB en eventueel
een leraar. De directie van de school moet achter het project staan en
een time-outcoach aanstellen. Een time-outcoach is een
vertrouwenspersoon voor de jongere binnen de school. Hij vormt een brug
tussen school en project en brieft collega's over het project en de
evolutie die de jongere maakt. Na het project zorgt hij voor de opvang
op school en start hij samen met de leerlingenbegeleider de opvolging.
-
gemeenschappelijk
doel: school, CLB en time-outorganisatie werken samen vanuit een
gemeenschappelijk doel: de problematische schoolloopbaan van de jongeren
deblokkeren en zorgen voor zijn terugkeer naar de school. Hanteer deze
doelstelling altijd als rode draad van het project.
-
partnerschap:
school en CLB sluiten een overeenkomst af waarin ze het project
omschrijven en de wederzijdse verwachtingen formuleren.
-
open
communicatie: open en eerlijke communicatie vanuit de school en door de
projectmedewerkers is een absolute must. Op die manier krijgen
projectwerkers een zicht op de school en kunnen ze de jongere beter
begeleiden.
Evaluatie
De time-outperiode betekent een rustperiode. Zowel de
leerling en zijn gezin als de klas en de school krijgen een adempauze waarin
met iedereen gewerkt wordt aan reïntegratie. Voor de leerling verhoogt een
time-outproject de kans om binnen het reguliere onderwijssysteem te blijven.
Meteen na de time-out ging 45 % van de jongeren nog naar dezelfde school, 56
% volgde dezelfde onderwijsrichting. Na zes maanden zat nog 21 % van de
jongeren in dezelfde school en 50 % volgde dezelfde richting. Eén op drie
jongeren verbetert zijn houding ten opzichte van de school, de leraren en de
medeleerlingen. Twee vijfde van de scholen ontwikkelt tijdens de
time-outperiode een positieve houding tegenover de jongeren. Dat vermindert
het risico op sociale uitsluiting. Bovendien komen jongeren minder
gemakkelijk in de criminaliteit terecht.
Time-outprojecten werken ook preventief. Scholen die samenwerken met een
time-outproject, ontwikkelen een klimaat dat meer op leerlingen gericht is.
Het aantal leerlingen dat dreigt af te haken, vermindert en in
probleemsituaties kiezen scholen minder snel voor uitsluiting.
Time-outprojecten met schoolvervangende programma's: beschrijving van een
experiment 2001-2003 / Nicole Vettenburg, Bea Vandewiele. – Brussel:
Koning Boudewijnstichting, 2003.
- 116 p.
Publicatiedatum: 2004-05-26
|