titel De leraar: motor van inclusief onderwijs?

 Inclusief onderwijs is nog vrij nieuw in Vlaanderen. Toch komt er steeds meer belangstelling en het aantal praktijkvoorbeelden groeit snel. 'Gelijke kansen' is een nieuwe basiscompetentie voor de lerarenopleiding. Maar veel leraren in het gewoon onderwijs hebben weinig of geen ervaring om met specifieke noden of grote leerverschillen in de klas om te gaan. Is de leraar niettemin de motor van inclusief onderwijs? LerarenDIRECT vroeg het aan Annet De Vroey, lector bij de initiële lerarenopleiding en bij de voortgezette lerarenopleiding voor buitengewoon onderwijs (VOBO) aan de Katholieke Hogeschool Leuven.


Succesfactoren van inclusief onderwijs

Tips voor leraren met watervrees
Voor leraren die open staan voor inclusief onderwijs, maar watervrees hebben – of voor leraren die al aan het zwemmen zijn – geeft Annet De Vroey drie tips:

  •  Bouw een vlotte en open communicatie op met de ouders. 
    "Dat kan op allerlei manieren: via overlegmomenten, een schriftje, e-mail, … . Wees niet bang om vragen te stellen aan ouders en hen te informeren. Het wordt moeilijk als je allerlei zaken verstopt. Ouders hebben ervaring met hun kind en kunnen mee naar oplossingen zoeken als leraars onzeker zijn. Open communiceren is dus niet hetzelfde als drie maal oudercontact per jaar, maar een vlotte, regelmatige communicatie. Het werkt ook ondersteunend."

  •  Betrek directie en collega's bij wat je doet, houd de directie goed op de hoogte.
    "Zo krijg je binding van het lerarenteam met het project. Laat voelen waar je mee bezig bent, zodat je ondersteuning terugkrijgt van het team."

  • Maak gebruik van het aanbod van ondersteuning. 
    "Ondersteuning van buitenaf mag geen onvoorwaardelijke eis zijn van scholen, maar je kan wel samen met de ouders zoeken naar wat haalbaar en mogelijk is."

Hefbomen voor inclusief onderwijs
Een aantal factoren zijn bepalend voor een al dan niet succesvolle afloop van een inclusieproject:

  •  kwaliteit van de ondersteuning  
    Leraren die te maken krijgen met een moeilijke inclusievraag en onvoldoende ondersteuning, raken snel ontmoedigd. Omgekeerd kan te veel ondersteuning belemmerend werken, ook voor het kind. De ondersteuning van de leraar kan verschillende vormen aannemen. "De leraar moet voelen dat er iemand is met wie hij kan afspraken maken, met wie hij samen kan nadenken." De kwaliteit van de ondersteuning is essentieel. "Leraren moeten kunnen terugkoppelen, als ze het gevoel hebben dat het vlot loopt en zeker als ze het even niet zien zitten." Dan kan er samen worden gezocht naar oplossingen.

  •  ervaring
    Leraren met veel ervaring hebben geleerd probleemoplossend te denken en om te gaan met verschillen. Leraren die pas beginnen en vanuit de opleiding meer leerstofgeoriënteerd denken, hebben meer moeite met 'loslaten'. "Inclusief onderwijs vraagt dat je de groepsnormen meer loslaat en zoekt hoe je de les voor het 'andere' kind even boeiend kan maken."

  • prestatienorm
    Als de prestatienorm binnen de school domineert, is het moeilijker om inclusief onderwijs te realiseren. "Je kan dan moeilijker overstappen naar werkvormen die de participatie van kinderen bevorderen. Als kinderen samenwerken, zijn ze samen betrokken, maar kan je de doelen verschillend invullen."

  • waarden en normen rond de rol van mensen met een handicap in de maatschappij. 
    Als de leraar of de school als einddoel voor kinderen met een handicap een beschutte werkplaats of een instelling voor ogen heeft, is dat nefast voor inclusief onderwijs. "Als je dat beeld niet opentrekt, voel je de nood niet aan inclusief onderwijs. Je gaat er dan van uit dat het traject van inclusiekinderen vastligt. Dat moet je in vraag durven stellen. Anders is er ook minder engagement."

  • inspraak 
    Leraren zijn de spilfiguur: zij realiseren inclusief onderwijs dagelijks, weliswaar samen met anderen. Zij moeten een duidelijke stem hebben in alle beslissingen.


De rol van de leraar

De lerarenopleiding als startpunt ...
Zijn leraren voorbereid op werken met een kind met een handicap in de klas? Deze eenvoudige vraag vereist een genuanceerd antwoord. "Leraren zijn niet voldoende voorbereid om met alle mogelijke specifieke onderwijsvragen rond special needs om te gaan , maar eerst moet de vraag worden gesteld in welke mate leraren op gelijk welke problematiek voorbereid moeten zijn. Een zekere voorbereiding is er: de lerarenopleidingen houden rekening met GON en de leraren kennen het uit de praktijk. Het is belangrijk dat nascholingen aandacht schenken aan het thema en dat er tijdens de lerarenopleiding werk van wordt gemaakt. Kinderen met grote leerverschillen, communicatieproblemen of ernstige medische problemen eisen veel meer aanpassingen. Dat vraagt dat leraren hun taak herformuleren. De lerarenopleiding kan hen daarop voorbereiden", zegt De Vroey. "Lerarenopleidingen kunnen het gevoel van 'handelingsverlegenheid' wegnemen bij beginnende leraren door rond brede differentiatievaardigheden en –visie te werken. We spreken van handelingsverlegenheid als leraren met de handen in het haar zitten wanneer er nieuwe vragen op hen afkomen. Ze hebben het gevoel: hier zijn we niet op voorbereid, dat hebben we niet geleerd. In de lerarenopleiding moet diversiteit een basisgegeven zijn. Daarmee start de opleiding. Je kan in de 21ste eeuw niet meer uitgaan van homogene klassen. Je moet rekening houden met diversiteit bij leraren en leerlingen. De maatschappij van morgen zal er voor de leerlingen heel anders uitzien; daarom moet je focussen op samenwerkingsvaardigheden." Als diversiteit het uitgangspunt is, dan is de invulling automatisch niet uitsluitend leerstofgericht, maar meer leerlinggericht. Die invulling houdt rekening met de eigenheid van de kinderen en zet leraren ertoe aan op zoek te gaan naar individualisering, ook van doelen. 

... de leraar als motor?
Het welslagen van inclusief onderwijs hangt deels af van de persoon van de leraar. Deels, want de leraar staat niet alleen. Die functioneert in een schoolteam. "We zien vaak dat zowel de persoon als de cultuur van de school bepalend is. De manier waarop een school omgaat met kleinere leerverschillen of met moeilijkheden, zegt veel. In scholen met een lange en brede zorgcultuur loopt inclusief onderwijs meestal vlotter."
"Er zijn leraren die zich engageren voor inclusief onderwijs en anderen die er wat angstig tegenover staan. Toch moet je die angst ook relativeren: wie een tijdje bezig is, vindt zelf heel wat oplossingen in samenspraak met het ondersteuningsteam. De persoonlijke factor speelt zeker mee. Ouders betreuren dat, omdat het om een toevalsfactor gaat. Het maakt inclusief onderwijs afhankelijk van: 'Bij wie komt mijn kind terecht?'. Ouders moeten er kunnen op rekenen dat inzet en vaardigheden aanwezig zijn."  

Leraren die al lang voor de klas staan, hebben geen diversiteitsopleiding gekregen. Maar ze hebben wel veel ervaring. Nascholing kan bij hen een belangrijke rol spelen. "Via nascholing creëer je de mogelijkheid tot uitwisseling. Leraren met ervaring kunnen in intervisiegroepen een forum bieden aan elkaar. Leraren die een jaar een 'inclusiekind' begeleid hebben, gaan praten in een school waar het team nog twijfelt. Dit kan meer systematisch worden georganiseerd." De nascholing moet ook handelen over de achterliggende visie. "Als je die stap overslaat, blijft het erg fragmentarisch. De visie is het fundament van inclusie."  

Leraren stellen zich vragen rond het behalen van eindtermen en ontwikkelingsdoelen met een inclusiekind in de klas. "Eindtermen zijn geen normen voor elk inclusiekind. Daar moeten van in het begin duidelijke afspraken over zijn. Voor de meeste leerlingen die nu via GON begeleid worden, zijn de eindtermen wel haalbaar en worden ze ook niet in vraag gesteld." Ook voor kinderen met kleinere leerproblemen moeten individuele leertrajecten worden uitgetekend. 

Er is een verschil tussen leraren die werken in het kleuter, lager of secundair onderwijs. Alhoewel schoolcultuur ook een rol speelt, zijn kleuterleidsters meer gewoon leerlinggericht te werken. Zij voelen minder de druk van eindtermen. Zij werken met ontwikkelingsdoelen, volgen en begeleiden het kind. Het kleuteronderwijs leent zich beter om open te werken en om te gaan met verschillen. Lager onderwijs evolueert sterk in die richting. In het secundair onderwijs is de ervaring met inclusief onderwijs beperkter. Er is een groter team van leraren wat meer samenwerkingsvaardigheden vraagt om inclusief onderwijs te realiseren.

… ondersteund door het begeleidingsteam
Als inclusie staat voor onderwijs voor álle kinderen en niet alleen voor kinderen met een handicap, dan is er niet voor elk kind met een specifieke onderwijs– of zorgvraag een begeleidingsteam nodig. "Daarvoor is er de zorgcoördinator en de zorgwerking. Als het gaat om kinderen met meer specifieke ondersteuningsnoden, dus met noden die minder frequent voorkomen in een school, dan is het essentieel om een begeleidingsteam te hebben. En dan gaat het verder dan het gewone zorgteam. Ook ouders moeten daar deel van uitmaken." 

Werken met inclusiekinderen heeft ook voordelen. "Leraren zijn nadien heel erg fier op wat ze gerealiseerd hebben en blij dat ze het hebben vormgegeven. Er is een gevoel van 'empowerment'. Er is bij het begin wel 'handelingsverlegenheid', maar eens ze er tegen aan gaan, geeft dat een goed gevoel van uitbreiding van competenties." 


Publicatiedatum: 2004-03-17